inhoud De oudst bekende 'Heidmeijer' was Tonnies Heidmeijer geboren te Sülbeck in Schaumburg-Lippe in Duitsland.
Hij trouwde op 13-9-1694 met Ann Ilsa Koller. Uit dit huwelijk werd zoon Harm Hinrich geboren op 16-7-1700. Hij werd gedoopt te Sülbeck op 5-8-1701. Hij werd wagenmaker in het naburige dorpje Nienstädt en trouwde op 9-7-1744 met Anna Lucia Möller. Uit dit huwelijk werden 3 kinderen geboren: Johann Friedrich in 1745, Margareta Elisabeth in 1748 en Siemon in 1752. Vader Harm overleed in 1751, moeder Anna op 30-7-1758 zodat de kinderen al vroeg wezen waren. Peetoom van Siemon was pastor Heinrich Hansing; hij was pastor te Sülbeck van 1711-1753.
Siemon heeft in Duitsland leren lezen en schrijven en is later geëmigreerd naar Bedum (prov. Groningen NL)
De dorpjes Nienstädt en het grotere Sülbeck, waar men kerkte, liggen aan de rand van een heuvelrug waar het landschap overgaat in een laagvlakte. Dit gebied werd later ingedeeld bij Pruisen.

Wie zijn de stamouders van de Nederlandse tak?

Begin 1775 vinden we Siemon (Harms Heidmeijer) terug in het lidmatenboek van de kerk van Onderwierum (later uitgegroeid tot Onderdendam: 'Na belijdenisse Sijmen Harms, jongman (22 jaar oud), geboortig uit het Graafschap van der Lippe, uit het Ambt Braake'. Op 10-12-1775 meldt het lidmatenboek van de kerk van het naastliggende Westerdijkshorn: 'met attestatie van Onderwierum Simen Harms j.m. thans woonachtig bij Jurjen Tjarks'. (Jurjen Tjarks was boer, Simen Harms waarschijnlijk inwonend knecht).
Westerdijkshorn ligt aan de Wolddijk. Het is deel van een ringdijk die door de kloosters aangelegd is als een waterkering voor een gebied ten Noord-Westen van de stad Groningen. Dat gebied lag tussen de stad Groningen (liggend op de Hondsrug), het Groninger Hoogeland (ontstaan uit kwelders) en de vroegere Fivelmonding. De dijk loopt vanaf Noorderhoogebrug naar Zuidwolde, dan achter Noordwolde langs naar Westerdijkshorn (bij Bedum). Daar maakt hij een knik rondom Bedum om langs het Kardingermaar (met Kardingerzijl) richting Ten Boer ((Ooster)-Dijkshorn) te gaan. Daarna keert de dijk parallel aan het Damsterdiep via de Stadsweg (Thesinge, Garmerwolde, Noorddijk) terug naar Noorderhoogebrug. Het gebied binnen deze ringdijk heette 'Innersdijken' en werd onderbemalen. De zware klei in dit gebied werd ook gebruikt voor de fabricage van baksteen, dakpannen en later draineerbuizen. De dijken waren veelal een belangrijke doorgaande verbinding tussen de verschillende plaatsen.
Siemon (Harms Heidmeijer) heeft in die regio Hilje (Lammerts) ontmoet en is met haar getrouwd te Bedum op 21-05-1780; dat staat vermeld in het DTB-boek van Bedum op pagina 66. Ze kregen 5 kinderen; van 4 van hen (Anna, Harm, Egbert, Trientje) zijn verdere gegevens (partner, kinderen) bekend.
Hoewel Siemon kon schrijven (getuige de handtekeningen onder de 3 trouwakte's van zijn kinderen) konden zij dat niet. Bovendien was voor zoon Egbert het kiezen van een achternaam een probleem. Hij noemde zich eerst "Dijkema" (naar de Wolddijk?) bij zijn trouwen met Duurtje Drewes van Kampen en bij de aangifte van hun 1e kind Hilje.

Later noemde hij zich "Heideman" (kadaster 1828; later in het OAT-register aangepast naar het oorspronkelijke "Heidmeijer"). Stukken over een naamsaanname of een naamswijziging heb ik niet kunnen vinden.
Het land langs de Wolddijk was geschikt om koolsoorten te verbouwen zoals witte kool en rode kool. Dat werd gedaan door de 'boeskool-boeren'. De naam 'boeskool' (Gronings) komt van 'buiskool' (Nederlands), dat weer afstamt van 'kombuiskool'. Het is lang houdbaar als je het gesneden in een Keulse pot in het zout bewaart onder een plankje met een steen/vlint (er zuurkool van maakt). Het bevat veel vitamine C; dat voorkomt scheurbuik, een dodelijke ziekte door vitaminenentekort (vooral bij schepelingen). Boeskool werd vooral verbouwd op de zware klei tussen de stad Groningen en Onderdendam. In de rest van de provincie werd nauwelijks witte kool verbouwd; dat was voorbehouden aan Zuidwolde, het 'boeskooldorp'. Bijna alle bedrijvigheid had wel iets met de 'koolboeren' te maken. De boeren leefden er van, maar ook de smid, de kruidenier en de timmerman. Als het goed ging met de boeren, dan ging het goed met het hele dorp. Voor de boeskoolboeren is in mei 2003 een monument opgericht in het dorp Zuidwolde. Het staat aan de 'Koollaan' en is een creatie van Gosse Dam uit Kollum. Veel boeren verhandelden de kool zelf: op de Vismarkt in de stad Groningen, waar, rijen achter elkaar, de boeren met hun koolwagens stonden opgesteld. Toen aten de mensen vooral kool en kon je veel meer kool verkopen dan vandaag de dag. Ook werden de koolsoorten wel door hen uitgevent langs de huisdeuren. Het was keihard werken om te overleven. De Groningse klei is dan wel vruchtbaar maar de meeste boeren pachtten maar een klein stukje land. Het was bovendien zeer arbeidsintensief: Plantjes poten met de hand en de gieter, daarna oogsten en opslaan. Tijdens de opslagperiode 4 x 'omzetten' (de kolen keren en de vieze bladeren verwijderen). En als de vorst onverhoopt toch door de moddermuren van de opslagschuren drong, was de hele oogst in 1 keer weg!. Na de oorlog nam de animo om kool te eten af. Er was lang een zuurkoolfabriekje in Bedum waar de witte kool werd gesneden en ingemaakt zodat ze bewaard kon worden. Ook nu nog wordt in de buurt van Bedum veel kool verbouwd.

Geneagrammen van Siemon's zonen Harm en Egbert.

Siemon's zoon Harm trouwde in 1820 met Ida Gerrits de Wilde (uit Dokkum). Hun nageslacht is te zien in 2 geneagrammen :
De nazaten van Harm's oudste zoon Simon en zijn echtgenote

De nazaten van Harm's jongste zoon Gerard en zijn echtgenotes

Siemon's zoon Egbert trouwde in 1821 met Duurtje Drewes van Kampen (uit Adorp). Ze kochten op 20-01-1823 het boerderijtje aan de Wolddijk 47.
De nazaten van Egbert en zijn echtgenote hadden dit bijna 100 jaar in gebruik.

Spreidingskaart levenden van deze website in NL

N.B.: Als achtergrond voor alle schermen is het kadaster-uittreksel van Egbert gebruikt.

Copyright 2010 © E G Heidmeijer